Geertrude Verweij over schrijven, lezen en leven

Gastblog op Trouw Schrijf! - Wanneer is het goed genoeg?

Dan heb je dus een enorme vlaag inspiratie achter de rug, je hebt er wat transpiratie aan toegevoegd en alle letters die je getypt hebt, vormen zowaar een afgerond verhaal. En dan?
Er zijn duizenden mensen die tienduizenden manuscripten geschreven hebbben. Wanneer besluit je dat jouw manuscript goed genoeg is?
Dat blijft een lastige vraag. Want wat is goed genoeg? Hoe hoog leg je de lat? Ik zal de eerste zijn die toegeeft dat er nog best gesleuteld had kunnen worden aan mijn manuscript. Maar ik denk ook dat je nooit uitgesleuteld bent. Je blijft dingen zien, die anders zouden kunnen. Ik merk dat met mijn artikelen voor de krant ook. Die schrijf ik vrij vlot, dan laat ik ze even liggen, herlees ze, verander nog wat kleine dingen en stuur ze in. Maar dat betekent niet dat ik er dan van overtuigd ben dat het een briljant stukje is geworden. Af en toe ben ik er erg tevreden over, maar ik zit ook weleens hardop te schelden achter mijn laptop. “Het is echt een stukje van niets! Het lijkt nergens op!” Dan moet ik mezelf even flink beetpakken en een objectieve bril opzetten. Staat alles wat belangrijk is er in? Geen stijlfouten, geen spelfouten? Is het antwoord op deze vragen ja, dan stuur ik het naar de redactie. En ik heb nog nooit een stukje teruggekregen.
Ik schrijf voor een streekkrant, dus ik hoef ook geen hoog wetenschappelijk niveau te halen. Het zijn eenvoudige onderwerpen; de opening van een jeugdhonk of een evenement op een basisschool . De mensen die ik interview zijn dertig jaar koster geweest of ze zijn voorzitter van de plaatselijke tennisvereniging. Dat past bij mijn schrijfstijl. Ik schrijf niet eens over plaatselijke politiek, omdat ik denk dat ik daar niet de juiste insteek voor heb.
Mijn boek was nooit bedoeld als een hoogstaand literair werk. Dat is mijn stijl niet. Ik wilde gewoon een boek schrijven zoals ik ze zelf graag lees. Eenvoudige romans over echte mensen in herkenbare situaties. Niet te ingewikkeld, maar wel met een klein beetje diepgang. En een schrijfstijl die prettig leest, maar niet te kinderachtig is.
Het voldeed dus aan mijn eigen normen. Niet briljant, maar goed genoeg. En dat oordeel werd bevestigd door mijn destijds vijftienjarige dochters. Ze vielen niet binnen de doelgroep, want het is een boek voor volwassenen, maar ik hecht veel waarde aan hun oordeel. Ze lazen overigens wel meer boeken voor volwassenen, voor hun literatuurlijst, maar ook voor de lol. Deze twee boekenwurmen hebben heel verschillende voorkeuren. De één leest het liefst romans en chicklit, de ander houdt van fantasy en thrillers. Hun reacties vielen me honderd procent mee. Ze grinnikten als iets grappig bedoeld was, vonden de gesprekken tussen mijn hoofdpersoon en haar stiefkinderen vertederend en maakten zich boos over de inmenging van de moeder van de overleden vrouw van de mannelijke hoofdpersoon. En allebei vonden ze het een leuk boek. Dat gaf me net het beetje extra zelfvertrouwen dat ik nodig had. Het vinden van een uitgever valt niet altijd mee. Mijn eerste boek, dat ik in 1999 schreef, was een combinatie tussen een thriller en een roman. Ik stuurde het eerst op naar de uitgever van Leni Saris. Het werd afgewezen omdat het “niet commercieel aantrekkelijk” was. Ik vermoedde dat het thrilleraspect dan toch te sterk was en ging op zoek naar een uitgever in dit genre. Het kostte me een paar uur zoeken in de bibliotheek voor ik een aantal thrillers gevonden had die door Nederlanders geschreven waren (het zijn er nu meer, denk ik) en ik stuurde mijn manuscript naar de uitgever van Jacob Vis en Jan Kremer. Hoe dat afliep heb ik al verteld, het werd afgewezen, maar ik kreeg wel een uitgebreide brief met veel aanwijzingen.
Bij deze tweede roman was de keuze minder moeilijk. Ik had toevallig kort daarvoor gezien dat diezelfde uitgever (Ellessy) nu ook liefdesromans uitgaf. Ik had er een paar gelezen en vond dat ik dat niveau wel ongeveer bereikt had. Dus zocht ik de website van de uitgever op en keek hoe hij zijn manuscripten aangeleverd wilde hebben.
(Dat is echt heel belangrijk. Mocht je dat soort informatie niet kunnen vinden, bel dan de uitgever even en vraag hoe ze hun manuscripten het liefst ontvangen. Het voorkomt dat je ergernis werkt door verkeerd aanleveren. Sommige uitgevers (inclusief de mijne) hebben het liefst geprinte manuscripten om de simpele reden dat ze anders enorme kosten moeten maken om alles wat ze toegestuurd krijgen door te lezen. Je hebt dan dus kans dat een worddocument niet eens gelezen wordt. Andere uitgevers hebben een andere manier van werken en ontvangen juist liever digitale manuscripten.)
Ik stuurde dus een geprinte versie en een nette brief met een synopsis. Binnen twee weken lag er een brief in de brievenbus met het verzoek of ik een optie wilde verlenen en na een aantal maanden gespannen wachten kwam het verlossende woord: “We gaan het uitgeven.”
En ja, dat voelt geweldig. Als ik langs de plek rijdt waar ik dat hoorde (ik zat op dat moment in de auto), voel ik het nog steeds!
Lees verder ...

Publiek


Vandaag was ik jurylid voor de regionale voorleeswedstrijd. Jawel, dat klinkt stoer, hè?
En ik was daar dan ook nog eens als “debuterend schrijfster”. Het was mijn eerste publieke optreden en dat was te merken. Ahum! Ik was namelijk zo dom om niet te beseffen dat ik misschien wel iets moest zeggen. Dus toen me gevraagd werd of ik mezelf even wilde introduceren, kreeg ik het tamelijk benauwd. Ik blaatte iets over een boek dat de kinderen toch niet zouden voorlezen omdat het voor volwassenen was en gooide toen de microfoon zowat terug naar degene die het presenteerde.
De rest van de ochtend was wel erg leuk. Elf kinderen die hun uiterste best deden om boeiend voor te lezen. En ze deden het eigenlijk allemaal even goed. Nee, dat is niet diplomatiek bedoeld. Ze waren gewoon goed. Er was een meisje dat voorlas uit de Hobbitt. Vreselijk lastig boek voor zo’n uk. En ze deed nog allerlei stemmetjes ook. Alleen was dat nu juist een beetje te veel van het goede. Als het een toneelwedstrijd was geweest, of een voordracht, had ze gewonnen. Maar door die stemmetjes viel het verhaal een beetje weg. Dus konden we haar niet tot winnaar uitroepen.
Er was ook een jongen die voorlas uit Kruimeltje. Het arme kind. Want dat boek zou nu nooit meer door de AVI keuringen heen komen. Zoveel lange zinnen met ingewikkelde bijzinnen. En probeer dat maar eens op toon te lezen. Dit jongetje had van ons trouwens wel iets meer toneel toe mogen voegen. Want ik hoorde het door Chris van Abkoude zo mooi uitgewerkte amsterdamse accent van Kruimeltje nauwelijks doorkomen. Hoewel het jongetje in zijn inleiding dan weer wel zei dat “Wilkes in het ziekenhuis leit”. Ik denk dat hij de afgelopen weken het boek voortdurend gelezen heeft.
Ik vond het lastig om de kinderen na afloop te vertellen hoe ze het gedaan hadden. We hadden namelijk besloten dat we om de beurt alle kinderen iets zouden vertellen. Maar ze keken allemaal zo triest. Ik had er eentje die eigenlijk best goed las. Maar ze las zo verschrikkelijk snel. Het was wel goed verstaanbaar, maar gewoon veel en veel te snel.
Er was ook een jochie dat nogal hakkelde. Maar hij zat er wel heerlijk ontspannen bij en maakte goed contact met het publiek als een echte verteller. Zo jammer dat het voorlezen wat minder ging.
De andere juryleden en ik waren het snel eens. We vonden er twee echt uitspringen. De eerste en de laatste. De eerste omdat ze gewoon goed en prettig voorlas. De laatste las ook prima voor, maar had ook nog eens een ontzettend lastig boek gekozen. Ze las voor een boek dat geschreven is in dagboekvorm. Geen dialogen en geen rechtstreekse actie dus. Maar het lukte haar zelfs om de inmiddels roerige supporters van de andere kinderen stil te houden.
Ik had ook nog even een gesprekje met één van de andere juryleden. Zij is kinderboekenschrijfster en heeft al heel wat boeken op haar naam staan en heeft ook een hoop ervaring met publieke optredens. Ik gaf toe hoe eng ik het allemaal vind, maar ze verzekerde me dat het went. En als je er eenmaal staat, gaat het gewoon. Ik merkte inderdaad al dat het gemakkelijker werd toen ik een paar kinderen verteld had hoe ze het gedaan hadden. Ik was me alleen erg bewust van mezelf, mijn houding, mijn kleding (bleef mijn trui maar naar beneden trekken), mijn maat (voor wie me niet zo goed kent: ik ben een ontzettende jojo-er en zit nu in een mollige periode) en mijn stem. Maar ik geloof inderdaad dat dat verdwijnt als je eenmaal een tijdje aan het praten bent.
Trouwens, dat merkte je aan die kinderen ook. Tijdens het gesprekje vooraf waren ze ontzettend zenuwachtig, maar als de vaart er eenmaal inzat bij het voorlezen, dan ging het prima.
Ik denk dat ik het wel ga redden. Dus is er nog maar één probleem: wat trek ik aan?
Lees verder ...

Keer om

Op de één of andere manier heb ik het vaak met mijn navigatiesysteem aan de stok. Ik heb dan ook een hekel aan dat ding, maar helaas verdwaal ik zo gemakkelijk, dat ik hem wel nodig heb. Hem is in mijn ogen eigenlijk een haar, ondanks de dubbele jongensnaam. Mijn echtgenoot beweert namelijk dat een vrouwenstem het best hoorbaar is, dus hebben wij de vlaamse Eva als boeiend stemgeluid. Ik had liever een zwoele mannenstem, maar ik zou niet weten hoe ik dat moet veranderen.
Eva en ik kunnen niet echt goed samen door de bocht. Niet dat ze niet keurig vertelt wanneer die bochten er zijn, dat is het probleem niet. En ze weet ook redelijk de weg, overal. Behalve in Moerkapelle. Daar is een straat afgesloten, maar dat weet ze nog niet. Dus moet ik daar volgens haar linksaf, waarna ik mezelf in een smal straatje vast rijdt tegen een rij paaltjes en het hele end achteruit terug moet.
Tegenwoordig rijd ik dus vrolijk dat straatje voorbij. Dan moet ze herberekenen en dat doet ze braaf. Maar ze laat dat wel even weten. Ze zou ook zwijgend en zondermeer de nieuwe route kunnen tonen, maar ze moet toch even een zandlopertje tonen en zeggen “ik ben aan het herberekenen”. Als ze diep kon zuchten, deed ze het vast.
Eén keer had ik haar zover dat ze kwaad werd. Men gelooft dat niet, maar mijn dochter is getuige. We hadden een afslag gemist in het zeer drukke (het was een donderdagavond) Rotterdam-Noord. Het was eigenlijk een heel simpele route, je moest schuin van de hoofdweg af en dan kon je daaroverheen naar de andere kant van de straat. Als je die afslag mist, zit je echter vast. Omdraaien kan en mag niet en de volgende zijweg is een heel stuk verder.
Eva zei beleefd: “Probeer om te draaien.”
Ik zei beleefd terug”: “Dat gaat niet.”
Ze herhaalde: “Probeer om te draaien.”
Maar dat ging dus niet. Ik nam een zijweg en kwam op een andere weg waar je onmogelijk kunt keren terecht.
Eva zei beleefd: “Probeer om te draaien.”
Ik raakte een tikje geïrriteerd en zei: “Dat kan niet, luister dan!”
Waarop zij begon te katten: “Draai om! Draai om!”
Gelukkig hebben de dochter en ik een aardig gevoel voor humor, dus de stemming verbeterde aanzienlijk. Eva riep nog een keer: “Draai om!”
En toen zweeg ze kwaad. Tot ik half Rotterdam doorgedwaald was en weer vlak bij de bewuste plotselinge afslag was. Toen zei ze beleefd: “Over 100 meter: sla rechtsaf.”
Wat ik toen gelukkig wel op tijd deed. Want zo’n kwaad navigatiesysteem is ook niet alles!
Lees verder ...

De schoonheid van een hele bos

20090225 (Small)

20090227 (1) (Small)

20090227 (2) (Small)

20090227 (Small)

Toen ik deze foto’s maakte, realiseerde ik me ineens dat ik een voorkeur heb voor details. Eén bloem tegelijk, nooit een hele bos. Ik was blijkbaar in een beschouwende bui, want daarna bedacht ik dat dat in het echte leven ook zo is. Ik wil me zo graag op één ding tegelijk richten. Maar dat kan niet, want zo zit het leven nu eenmaal niet in elkaar. Het leven is net een bos bloemen. Van alles doorelkaar (ook als het allemaal narcissen zijn – er is er geen één hetzelfde). Huishouden, kinderen, schrijven, bloggen, werken, alles hoort bij elkaar.

Misschien wordt het tijd om de schoonheid van een hele bos te gaan zien…

Lees verder ...

Nieuwe plantjes

20090224 (Small)

Lees verder ...

Krokussen

20090223 (Small)

Lees verder ...

Merel

Lees verder ...

Gastblog op Trouw Schrijf! - Inspiratie en transpiratie

Ik hoef het grootste schrijf-cliché allertijden waarschijnlijk niet eens letterlijk te citeren. U weet vast wel wat ik bedoel. Googlend op de woorden schrijven, inspiratie en transpiratie, kwam ik er achter dat men het niet helemaal eens is over de verdeling. De één heeft het over tien procent inspiratie en de ander beweert zelfs maar één miezerig procentje inspiratie nodig te hebben. Maar het aandeel inspiratie is altijd heel klein. Zegt men. Noem me hebberig, maar ik doe het er niet voor. Wel als het gaat om het schrijven van artikelen voor de krant. Hoewel ik daar dan misschien ook weer meer inspiratie voor nodig heb dan de gemiddelde verslaggever, want ik wacht meestal tot me een pakkend begin binnenvalt. Heb ik eenmaal een eerste zin, dan volgt de rest vanzelf. En voor de schrijftechnisch begaafden onder u: dan voldoet mijn stukje ook keurig aan de wie-wat–waar-wanneer -waarom –norm. Tenzij we natuurlijk niet willen vertellen waarom, want dat gebeurt ook. Of staat er wel in uw krant dat een winkel een leuke actie houdt om zoveel mogelijk aan u te verdienen? Maar goed, we dwalen af, want mijn blog gaat natuurlijk over het schrijven van fictie.
Het zou prachtig zijn als ik kon beweren dat ik een vaste manier van werken heb. Met schema’s en overzichten of zoiets. Maar zover ben ik nog niet. Ik weet niet of ik ooit zover kom trouwens. Want ik ben van nature niet zo van de schema’s en overzichten. Ik begin gewoon en dan komt het min of meer vanzelf.
Ik schrijf dus wel degelijk vanuit een flinke dosis inspiratie. Mijn debuut “Huis vol verleden” kostte me weinig moeite. Ik had zo lang geen serieuze pogingen tot het schrijven van fictie gedaan, dat alle verhaallijnen en ideeën uit mijn onderbewustzijn in twee weken uitgroeiden tot een netjes afgeronde roman. Bijna dan. Want ik heb wel het begin een beetje aangepast om het te laten klopppen met de ontwikkelingen in de loop van het verhaal.
Ja, het kan. Een heel boek binnen een maand. En dat is dan dus bijna alleen maar inspiratie.
Mijn tweede roman schreef ik achter elkaar door. Tot halverwege. En toen liep ik vast. En ik bleef vastlopen, hoeveel pogingen ik ook deed. Dan kun je gaan transpireren tot je wegspoelt, maar het wordt geen goed verhaal. Ik liet het een tijdje liggen en had toen ineens wel inspiratie. Of een plotseling inzicht, zo kun je het ook noemen. Ik wilde namelijk maar niet accepteren dat de mannelijke hoofdpersoon die ik zo sympathiek vond eigenlijk helemaal zo aardig niet was. Toen ik hem door had, was de rest van het verhaal zo geschreven. Transpiratie? Een beetje. Maar toch ook nog heel veel inspiratie.
Nu ben ik bezig met een derde roman. En dat begint toch aardig op werk te lijken. Transpiratie dus. Het is een beetje een lastig verhaal. Ik had inspiratie en schreef een heel stuk in een mum van tijd. Toen stopte het. Ik las het verhaal nog eens door. Goed verhaal, niet goed beschreven. Te veel terugblikken, teveel uitleg, te weinig actie. Dus ik pakte de verhaallijn beet, nam een sprong naar wat daarvoor gebeurde en schreef het overnieuw. Tienduizend woorden later: nog steeds geboeid door het verhaal dat ik wilde vertellen, maar niet tevreden met wat ik geschreven had. Ik liet het even liggen en jawel: inspiratie. Nog verder terug in de tijd beginnen.
Dit boek schrijf ik blijkbaar achteruit. Heel vermoeiend. Maar nog steeds geïnspireerd.
De grote vraag is dan toch: hoe kom je aan inspiratie? Ga je daar op zitten wachten? Ook als het jaren en jaren duurt? Blijf je naar een maagdelijk wit scherm staren in de hoop dat je het ineens weet? Alsof het een gave van een hoger wezen is en helemaal niets te maken heeft met inzet en doorzettingsvermogen?
Nee, dat geloof ik niet. Ik denk dat er manieren zijn om inspiratie te krijgen. Om even terug te grijpen op die stukjes voor de krant: ik zou mijn deadline niet halen als ik passief bleef wachten op die ene briljante beginzin. Dat doe ik dus niet. Als het te lang duurt voor ik een goed idee heb, ga ik mijn aantekeningen uitwerken. De bijna onleesbare krabbels die ik maak tijdens een gesprek of toespraak typ ik dan letterlijk over, tot het verhaal vorm begint te krijgen. Wat het meestal doet.
En zo werkt het ook met fictie, denk ik. Inspiratie kun je op wekken. Door te brainstormen, door te spelen met losse verhaallijnen, door hard na te denken over je hoofdpersonen, door hard te werken.
Dat is transpiratie. Maar het eigenlijke schrijven – en daar blijf ik bij – is toch echt grotendeels inspiratie.
Lees verder ...

Samenvatting

Soms zijn de dingen die simpel lijken, best lastig. Dat vind ik wel, in ieder geval. Vooral nu ik mezelf als schrijfster moet presenteren. Dat is weer helemaal nieuw voor mij, dus dat valt niet mee.
Zelfs de eenvoudige vraag “waar gaat je boek over?” zorgt al voor heftig denkwerk.
Want je moet de balans zien te vinden tussen genoeg vertellen om mensen nieuwsgierig te maken, maar niet zoveel dat je het verhaal weggeeft. Toch moet ik er over nadenken, want ik ga straks ook nog een lezing geven. Zoals de bibliotheek waar ik dat ga doen het uitdrukt: “over haar boek en haar beginnend schrijverschap”. Dus.
Ik vertel meestal mijn hoofdpersonen, Tamara en Hugo, elkaar van vroeger kennen. Ze komen elkaar na jaren onverwacht tegen en besluiten door omstandigheden vrij snel te trouwen. Ik vertel ook altijd dat het erop lijkt dat hun jeugdliefde kan uitgroeien tot veel meer, maar dat er rare dingen spelen in het gezin van Hugo, die dat beletten.
Maar dan wordt het lastig. Op de achterflap van mijn boek staat ook dat Cora, de moeder van Hugo’s overleden vrouw op een vervelende manier invloed uitoefent op het gezin. Dus dat kan ik ook wel vertellen. Dat merk je trouwens vrij vroeg in het verhaal. Maar hoe het verder gaat....
Daar moet ik dus een betekenisvolle pauze inlassen.  .......(bij deze)......
Vanaf dat punt sta ik voor een dilemma. Het is niet genoeg, zeker niet voor tijdens de lezing. Maar hoeveel verder kun je nog gaan? Kan ik een fragment voorlezen dat de spanning nog verder opwekt? Moet ik het oppervlakkig houden?
Als ik (als verslaggever en niet als schrijfster) een recensie moest schrijven over dit boek zou ik het zo doen: “In de loop van het verhaal gaan we de hoofdpersonen steeds beter leren kennen. De sympathie voor Tamara die probeert tussen de klippen door te zeilen groeit. Hoewel Hugo af en toe bijzonder onsympathieke dingen zegt, begint de lezer langzaam te vermoeden dat ook hij een slachtoffer van omstandigheden is. En wat is nu precies Cora’s drijfveer? Uiteindelijk moeten al deze spanningen natuurlijk tot een uitbarsting komen. Of het huwelijk van Tamara en Hugo dat overleeft is, nog maar de vraag.”
Oh, kijk nou! De verslaggever in mij doet het niet slecht eigenlijk. Die houden we erin, denk ik. Wat vindt u? Is dit een nieuwsgierig makende samenvatting?
Lees verder ...

Vlucht

20090216 (Small)

Lees verder ...

Gastblog op Trouw Schrijf! - Hoe het begint/begon


Ik zit in mijn auto, terwijl de ruiten langzaam beslaan omdat ik heel milieubewust de motor – en dus de verwarming – heb afgezet. De regen tikt op de ruiten en ik werp af en toe een blik tussen de druppels door naar buiten. Ik wacht op mijn dochter die eigenlijk om half drie uit was, toen om één uur en nu misschien toch nog les heeft van half drie tot vier. Ondertussen krabbel ik wat losse zinnen in een versleten notitieboekje, in de hoop een pakkende inleiding op dit eerste blog over schrijven te vinden. Dit is vast niet het beeld dat het woord “schrijfster” bij de gemiddelde nederlander oproept. Bij mij ook niet. Het woord roept bij mij een beeld op van een rustige werkkamer met mooie oude meubels. Een ouderwetse typemachine, een vaas verse bloemen en een paar foto’s in stijlvolle lijstjes. Een comfortabel stoeltje met mooie bekleding achter een ouderwets bureautje. En daar zit ik dan. Geïnspireerd te schrijven. In alle rust.
Tja... De werkelijkheid is anders. Ik schrijf tussen de bedrijven door. Ik doe de boodschappen, draai een was, sop de badkamer, geef de kat eten en de kinderen aandacht. Als ik even rust heb, zit ik met mijn laptop op schoot op onze versleten plofbank. En dan schrijf ik. Te midden van de chaos.
De komende weken zal ik hier vertellen over mezelf als schrijfster. Ik zal mijn best doen het huishouden, de kinderen en de kat buiten beschouwing te laten, hoewel die nu eenmaal onlosmakelijk verweven zijn met mijn leven en dus ook met mijn schrijven.
Het eindpunt is er: mijn roman “Huis vol verleden” ligt vanaf 11 maart in de winkels. Maar ik zal beginnen bij het begin en proberen te vertellen hoe het zover gekomen is. Dat is veel interessanter voor andere schrijvende dromers en dromende schrijvers. De schaamteloze promotie van mijn boek verwerk ik wel tussen de regels door.
Ik geloof niet dat ik als kind bedacht had dat ik schrijfster wilde worden. Ik zag mezelf als prima ballerina, bekende zangeres, eigenaar van een manege of als journaliste. Dat laatste lijkt erop, maar ik kan me niet herinneren dat ik ooit een boek heb willen schrijven. Toch schreef ik wel. Vrij veel zelfs.
Ik weet niet wanneer ik daarmee begon, maar ik denk zodra ik het kon. Ik schreef verhaaltjes die gebaseerd waren op de boeken die ik las. Omdat het eind me niet beviel, of omdat ik het zo jammer vond dat ik het uit had.
In mijn puberteit schreef ik vooral veel gedichten, maar die liet ik bijna nooit aan iemand lezen en ik heb ze allemaal weggegooid. Ook schreef ik verhaaltjes met mezelf in de hoofdrol. Met mezelf zoals ik zou willen zijn, dan. Mooi, populair, geliefd. Dat luchtte op en dan gooide ik ze weg. Over bewaren, bewerken en publiceren dacht ik nooit na.
Mijn eerste pogingen op dat gebied kwamen pas jaren later. Ik was getrouwd, had drie jonge kinderen en schreef een paar korte verhalen op de computer van mijn man. Ik las hoe Asimov en Maria Oomkens (ja, ik heb een brede smaak) hun carrière begonnen waren, volgde hun voorbeeld en stuurde mijn verhalen naar tijdschriften. Ik kreeg ze met een vriendelijk briefje terug. Het ging niet om de kwaliteit, maar er was geen markt meer voor korte verhalen.
Teleurgesteld besloot ik dan maar een lang verhaal te schrijven, een boek. En toen het af was, stuurde ik het naar een uitgever. Ik kreeg het terug (“”niet commercieel aantrekkelijk”) en stuurde het naar een andere uitgever. Van hem kreeg ik het ook terug, maar met een lange brief erbij, vol vriendelijke aanwijzingen over dingen die beter of anders konden. En aan het eind van de brief stond: “Blijf vooral schrijven, want je hebt talent!” Dat was in 1999.
Ik rommelde nog wat met andere verhaallijnen, maar we verhuisden, de kinderen groeiden op met de bijbehorende probleempjes en ik ging buitenshuis werken. Ik schreef wel korte stukjes over mijn leven op mijn weblog, maar van echt gaan zitten voor een degelijk stuk fictie kwam het niet meer.
Tot ik in 2006 besefte, dat ik nog steeds dacht aan die brief. Dat ik me nog steeds afvroeg of die uitgever gelijk had. Had ik talent? Kon ik een boek schrijven dat wel gepubliceerd zou worden? Op internet vond ik de site van NaNoWriMo. Een uitdaging om 50.000 woorden te schrijven in één maand. Tellertje op je weblog en een heleboel mensen die tegelijkertijd hetzelfde probeerden. Ik besloot het te doen. Mijn werktitel was: “Nu of Nooit” en dat sloeg niet op het verhaal, maar op mezelf. Het werd nu.
Want wat ik toen schreef, ligt over vier weken in de winkels...
Als ik tips zou moeten geven aan beginnende schrijvers, dan is tip 1: blijf schrijven!
Lees verder ...

Lezen en schrijven


Best verwarrend. Bezig met de presentatie voor mijn eerste boek, maar al aan het schrijven voor mijn tweede boek. En dan ook nog wat favoriete boeken lezen als afleiding. Mijn hoofd zit vol met verhalen...
Lees verder ...

Chaos

Ik schreef een paar weken geleden nog dat ik zo’n behoefte had aan rust, reinheid en regelmaat. Misschien dacht u dat ik dat dan nu wel een beetje voor elkaar zou hebben. Dat dacht u dan verkeerd. De chaos is completer dan ooit.
Ik had vorige week een drukke schrijfweek met veel opdrachten voor de krant. Verder was echtgenoot ziek en een dochter half ziek. Dat hakt er altijd in. En toen besloot ik zondag om toch maar vast een begin te maken het leegruimen van een paar kasten die verplaatst moesten worden. De mooie kast die van mijn grootmoeder geweest is, mag weer terug naar de huiskamer. De barkast die ik gebruik als bureautje moet naar boven, zodat ik als het nodig is de deur achter me dicht kan trekken om in alle rust te schrijven. Dat is de theorie in ieder geval.
Ik begon dus met het leegruimen van het bureautje. Dat was best te doen. Een deel kon ik kwijt in de andere kast in de huiskamer en de rest mocht even in de vensterbank. Maar toen moest oma’s kast leeg. In oma’s kast bewaar ik mijn wol en mijn lapjes. Op oma’s kast stonden een ouderwetse handnaaimachine (die ik regelmatig gebruik) en een naaidoos. En natuurlijk lag er heel veel losse rommel, want zo gaat dat met een kast in de gang. Hier wel in ieder geval.
Toen ik eindelijk de wol en de lapjes in plastic kratten gepropt had en alle losse dingetjes min of meer in een hoek van de huiskamer had gestort, toen ik het bureautje al naar het midden van de kamer had geschoven, toen stopte er een auto voor ons huis. En daar stapten mijn schoonouders uit, in keurige zondagse kledij.
Mijn schoonouders hebben er een neus voor. Zij komen nooit als mijn huis glimt en glanst en alles op zijn plek ligt. Zij komen alleen als ik half ziek of gewoon lui ben en dringend iets moet gaan doen, als ik net thuis kom na vierentwintig boodschappen of als de inhoud van twee kasten in onze toch al niet opgeruimde kamer verspreid heb.
Gelukkig zijn het lieve mensen, dus ze zeggen er niets van. Maar ik betwijfel of ze geloven dat ik echt (soms) wel een goede huisvrouw ben.
Ik denk dat ik ze maar een uitnodiging stuur als ik de boel straks weer helemaal op orde heb!
Lees verder ...

Echt

Vandaag kwam er een pakketje met een heel bijzondere inhoud.


Mijn woorden, mijn verhaal, in een echt boek. Wie had dat ooit durven denken?
(p.s. boekpresentatie is 11 maart in de bibliotheek in Zevenhuizen. Uitnodigingen worden nog verstuurd aan mensen van wie ik de adressen heb, maar als je meer wilt weten, mail dan even)
Lees verder ...

(Geld) stroom

Vanochtend stonden er twee mensen van onze energiemaatschappij voor de deur. Zij stelden zich netjes voor en wilden met mij praten over een zakelijk contract. Ze hadden bij de Kamer van Koophandel gezien dat ons bedrijf vanaf dit adres gevoerd werd. Dat klopt wel, maar we huren sinds ort een kantoor ergens anders.
Ik ben sowieso niet zo’n fan van het steeds opnieuw afsluiten van dit soort contracten. Het zal op den duur best geld schelen, maar ik ben altijd bang dat ik ergens de mist in ga. Dat ik dan een paar maanden dubbel moet betalen of een week helemaal geen stroom mee heb, zoiets.
Vorig jaar hebben we wel bij onze eigen maatschappij ons contract veranderd naar NatuurStroom en Gas met een NatuurCertificaat. Omdat we destijds net een stroomvretende nieuwe server hadden neergezet, vonden we dat wel een goede compensatie. Dat de olieprijzen ondertussen bleven stijgen, was een bijkomend voordeel, dachten wij. Want die windmolens draaien wel door, oliecrisis of niet. Zo kwamen we misschien nog wel voordeliger uit ook.
Eind januari kwam er echter een brief van de energie maatschappij. Dat onze tarieven per 1 januari zouden veranderen. Ja, dat bericht kwam echt heel tijdig. Maar ik snapte wel waarom.
Ze moesten natuurlijk eerst nog een smoes verzinnen. Want hoe kun je nu aankondigen dat natuurstroom twintig procent duurder geworden is, omdat de olieprijzen gestegen zijn? Dat is klinkklare onzin. We kiezen juist voor natuurstroom omdat we de krimpende olievoorraad niet langer willen belasten. Zeg ik.
Maar dat zegt de energiemaatschappij dus niet.
Die legt het zo uit: als de olieprijzen stijgen, stijgt de vraag naar natuurstroom. En als de vraag stijgt, stijgt de prijs ook. Dus is de prijs van natuurstroom vrolijk gekoppeld aan de prijs van olie.
Je kunt het als consument gewoon niet winnen. Bouw meer windmolens, roep ik dan. Maar dan moeten ze eerst strijd voeren met een heleboel NIMBY*-tegenstanders. Wij hebben er vier in ons uitzicht-voor, dus ik mag er iets van zeggen. Als ik naar die windmolens kijk, denk ik altijd: “Goed zo jongens, blijf maar draaien. Kan ik weer een was doen.”
Ik vraag me trouwens wel af wat die keurige verkopers van de energiemaatschappij vanochtend dachten toen ik de deur opendeed. Want als je bij een IT-bedrijf aanbelt, verwacht je natuurlijk niet dat je bij het openen van de deur geconfronteerd wordt met een wasmachine, een droger en stapels was. Tja, representativiteit was de voornaamste reden voor een kantoor buitenshuis...

*NIMBY=Not In My Back Yard
Lees verder ...

Grijs en grauw

20090204 (Small)

Lees verder ...

In vogelvlucht

in vogelvlucht

in vogelvlucht
Lees verder ...